• Archives

  • Categories

  • Altahrir Nieuws (Magazine)

‘New York Review of Books’ calls it ‘apartheid’ and prepares Americans for the end of the Jewish state

As a promoter of Peter Beinart’s new book The Crisis of Zionism (albeit with major differences), I was overjoyed to read David Shulman’s review of the book in the new New York Review of Books. The piece is not yet online, I got it in the mail. But it shows what an important blow Beinart has struck: his liberal-Zionist attack on the Israel lobby and the occupation has licensed a leftwing writer to bring important news to influential Americans: the two state solution is over, and there goes the Jewish state.

Almost every other mainstream review of Beinart has been negative and ultra-Zionist. But Shulman’s piece is a lot closer to Austin Branion’s review here (which was negative and not Zionist). Shulman praises Beinart’s bravery, and says he does not go far enough.

I’ll post longer excerpts from the piece when it’s online, but the revelations in the article are: What about that word apartheid?

“Those who recoil at the term ‘apartheid’ are invited to offer a better one; but note that one of the main architects of this system, Ariel Sharon, himself reportedly adopted South African terminology, referring to the noncontiguous Palestinian enclaves he envisaged for the West Bank as ‘Bantustans.’”

What should Americans do? They should come to the West Bank and protect Palestinian civilians from “marauding settlers and the soldiers who inevitably back the settlers up.”

What will the new coalition do for the Palestinians and the two state solution? Diddly.

“The new cabinet will continue to entrench the occupation and to legalize the massive theft of Palestinian lands while loudly complaining that the Palestinians are responsible for the collapse of negotiations.”

And what should Americans prepare themselves for? It’s one state, dears, it’s inevitable, and it should be a democratic place.

“It is impossible to keep millions of human beings disenfranchised for long and to systematically rob them of their dignity and their land…

Thus the likelhood must be faced that unless the Occupation ends, there will also, in the not so distant future, be no Jewish state.”

That’s the ending. Without tears. Shulman stakes out the New York Review’s historical territory, surveyed by Tony Judt in 2003 with his one-state argument. I hope that this great moral presence in our intellectual culture has resumed its work on this question, and the NYRB– which is so outspoken about women’s rights in Egypt, and the failure of Freudianism– will now take up a vital role, leading Jews to embrace democracy.

(mondoweiss.net / 16.05.2012)

Nakba: tussen zionistische propaganda en Palestijnse tragedie

“En wanneer alle anderen de leugen, die de Partij voorschreef, aanvaardden – wanneer alle documenten hetzelfde verhaal vertelden – dan werd de leugen tot geschiedenis en tot waarheid verheven. ‘Wie het verleden beheerst’, zo luidde de partijleuze, ‘beheerst de toekomst: wie het heden beheerst, beheerst het verleden’.”
DeWereldMorgen.be -

Zonder het te beseffen wierp George Orwell een profetische blik op de staat die opgericht werd in 1948, precies in het jaar waarin Orwell zijn bekende roman ’1984′ publiceerde. Op 14 mei 1948 riep de eerste Israëlische premier David Ben Gurion, onder het portret van de grote zionistische ideoloog Theodore Herzl, en op de ruïnes van Palestina, de onafhankelijkheid van Israël uit.

Verschillende landen, waaronder de Sovjet-Unie, de Verenigde Staten, Turkije en Iran, erkenden het nieuwe land meteen. Terwijl de politieke elite druk bezig was met het ontvangen van felicitaties waren de zionistische milities bezig aan een grootschalige etnische zuivering van de oorspronkelijke bewoners van Palestina.

Wat voor Israël een heroïsche onafhankelijkheidsstrijd was, staat in het collectieve Palestijnse geheugen gegrift als de ‘Nakba’, het Arabische woord voor catastrofe.

Decennialang was de Palestijnse catastrofe een taboe waar weinig over bekend was en waarover weinig gepubliceerd werd. Omdat, zoals Orwells wetmatigheid (wet) stipuleert, Israël het ‘heden’ bezat, werd hun versie van de geschiedenis erkend als de enige legitieme versie van de feiten die zich in 1948 afspeeld hadden. De zionistische onderneming om alle facetten van Palestina te vernietigen werden gezien als legaal, en zelfs bewonderenswaardig.

Golda Meir, de bekende Israëlische premier, kon zelfs zonder gêne stellen dat “there is no such thing as a Palestinian people“. Zo’n citaat was simpelweg het product van die tijdsgeest.

Sabra & Chatilla: het keerpunt

Helaas voor de nakomelingen van Golda Meir en David Ben Gurion duurde de Israëlische militaire suprematie niet eeuwig. In Libanon kon een gezamelijk Libanees-Palestijns verzet Israël in 1982 onder controle houden. De Israëlische bezettingsmacht, die werd gesteund door de Verenigde Staten en enkele rechtse Libanese milities, moest zich terugtrekken uit Beiroet en een groot deel van Libanon.

Die terugtrekking ging gepaard met slachtingen in de Palestijnse vluchtelingenkampen van Sabra en Chatilla. Er waren geen Palestijnse strijders in die kampen en er was geen enkele militair voorwendsel dat aangehaald kon worden om een aanval op die kampen te rechtvaardigen.

De slachting had echter één positief gevolg. Voor het eerst in de geschiedenis van het Arabisch-Israëlische conflict werd de notie van een rechtschapen Israël in vraag gesteld. Academici, intellectuelen, activisten en gewone burgers vonden het vreemd dat ‘slachtoffers’ konden meewerken aan zo’n onmenselijke gruwelijkheden.

Een remise en question was het gevolg met betrekking tot de onderwerpen Israël en het zionisme. En zelfs in Israël begon een nieuwe generatie historici in de nasleep van de Libanon-invasie de mythische onstaansgeschiedenis van hun land in vraag te stellen. Deze nieuwe historici, die de ‘New Israeli Historians’ worden genoemd, hebben met hun bevindingen de ontstaansgeschiedenis van Israël totaal herschreven.

De mythe doorprikt

Daarop ontstond in Israël een moreel dilemma. Zou men vasthouden aan de heroïsche, maar mythologische ontstaansgeschiedenis van Israël, of zou men erkennen dat het lijden van de Palestijnen hoofdzakelijk te wijten is aan de gevolgen van de zionistische terreur? Alle “Nieuwe Historici” bekritiseerden Israël, maar niet om dezelfde redenen. Avi Shlaim en Ilan Pappe bekritiseerden Israël omwille van de misdaden die het had begaan: de slachtingen, de etnische zuiveringen, de verkrachtingen, enzovoort.

Een andere stroming binnen die “Nieuwe Historici”, waaronder Benny Morris, bekritiseerde de founding fathers om totaal andere redenen. De etnische zuivering van Palestina was noodzakelijk en de verkrachtingen, moorden, het opblazen van begraafplaatsen, die daarmee te paar gingen, konden gezien worden als een militaire tactiek om de bevolking zo snel mogelijk op de vlucht te laten slaan.

Volgens Benny Morris moest de founding fathers echter verweten worden dat ze niet alle 500 Palestijnse dorpen en steden etnisch hadden gezuiverd van de autochtone bewoners. De Joden hebben als volk de wereld veel meer gegeven dan de Palestijnen ooit zullen doen, aldus Morris. Daarom was het legitiem dat de joden een heel volk zouden verdrijven. Morris maakt een historische analogie met de genocide die de Europese kolonisten op het Amerikaanse continent hebben gepleegd.

De Europeanen, aldus Morris, hebben de wereld meer gegeven op vlak van cultuur en technologie, meer dan de oorspronkelijke bewoners van Amerika ooit zouden hebben gedaan. Zo zegt Morris: “Even the great American democracy could not have been created without the annihilation of the Indians. There are cases in which the overall, final good justifies harsh and cruel acts that are committed in the course of history.

Het Israëlische publiek koos en masse voor Benny Morris’ interpretatie van de geschiedenis. Ilan Pappe, de ‘Nieuwe Historicus’ die Israël bekritiseerde om humanistische redenen, verliet Israël en keerde het zionisme, waar hij vroeger in had geloofd, de rug toe. In de Israëlische ‘democratie’, de ‘enige in het Midden-Oosten’, ging dat gepaard met dagelijkse doodsbedreigingen die zelfs in de kranten werden gepromoot.

Enkele falsificaties

Het jaar 1948 was van cruciaal belang voor de recente Palestijnse geschiedenis en enkel een correcte lezing van die gebeurtenissen kan ons ertoe brengen de Palestijnse Nakba goed te begrijpen. Daardoor is het noodzakelijk om de historische versie van de feiten te zuiveren van de volgende mythes.

Fictie 1: De Britten hielpen de Palestijnen

Een eerste belangrijke mythe is dat de Britten er alles aan deden om het zionistische nation-building project te saboteren, en dat de Palestijnse nationale aspiraties de volledige steun kregen van de Britse koloniale regering.

De waarheid ligt enigszins anders. Zonder de diplomatieke steun van de Britten zou het zionisme nooit voet aan de grond hebben gekregen in Palestina. De Britse premier Balfour bracht in 1917 de bekende Balfour Declaration uit waarin hij beklemtoonde dat de Britse regering haar volledige steun gaf voor een Joodse natie, zolang die de rechten van de oorspronkelijke bewoners -die naamloos blijven in deze verklaring- niet in het gedrang zou brengen: “...His Majesty’s government view with favour the establishment in Palestine of a national home for the Jewish people, and will use their best endeavors to facilitate the achievement of this object, it being clearly understood that nothing shall be done which may prejudice the civil and religious rights of existing non-Jewish communities in Palestine.” Die non-Jewish communities zijn de autochtone Arabische bewoners van Palestina. Toen Balfour met die verklaring kwam bedroegen zij 90 procent van de inwoners van historisch Palestina.

Nog geen 3 jaar na die verklaring bezette Groot-Brittannië Palestina. Londen benoemde Sir Herbert Samuel tot High Commissioner van Palestina. Samuel was niet enkel Joods, maar ook een overtuigd zionist. Bovendien kregen de zionistische milities militaire training van de Britten, en knepen die laatsten een oogje dicht als er wapens verdwenen. De zionisten waren zich namelijk aan het bewapenen voor de milities de ze creëerden; de Irgun, Stern, Haganah en Lehi.

Fictie 2: Palestijnen hadden geen leiderschap

Een tweede fictie die vaak wordt aangehaald om aan te tonen dat een Palestijns nationaal project gedoemd was om te falen is het gebrek aan een Palestijns leiderschap. Achteraf beschouwd is dat argument eerder ongeloofwaardig, aangezien de zionisten aanvankelijk precies een deal probeerden te sluiten met de Palestijnse politieke elite.

Groot-Brittannië, een koloniale macht met meer dan twee eeuwen ervaring, had de aloude verdeel-en-heersstrategie goed onder de knie. Het zaaide tweedracht tussen de invloedrijkste Palestijnse families; de Husseinis en de Nashashibis, en zette de Palestijnse boeren op tegen de stadsbewoners.

De Britse High Commissioner, de zionist Samuel, benoemde een Nashashibi tot de belangrijke post van burgemeester van Jeruzalem, en een Husseini tot grootmoefti van Palestina. Dat was een breuk met het verleden, want daarvoor was er een conventie die stelde dat een Husseini de burgemeester werd en een Nashashibi de grootmoefti. De Britse kolonisator maakte een einde aan die power-sharing deal.

Zo’n verdeel-en-heersstrategie zorgde ervoor dat de intra-Palestijnse rivaliteit heviger werd. Zo konden de Palestijnen nooit een gemeenschappelijk front vormen tegen het kolonialisme en/of het zionisme. Het was pas toen in 1935 de Great Palestinian Revolt uitbrak dat de Palestijnse politieke elite voor de Britten overbodig werd, omdat die elite niet in staat was de opstand te stoppen.

Die revolte brak uit onder leiding van Izz al-Din al-Qassam, een man die vooral populair was bij de boeren en onafhankelijk van de stedelijke politieke elite opereerde. Naarmate de opstand in omvang toenam, verklaarden de boeren grote delen van het land bevrijd gebied – bevrijd van zowel de gehate impotente Palestijnse elite als van de Britse bezetter.

De Britten bemoeiden zich zelfs met de religie van de Palestijnen. Normaal gezien werd een Palestijnse moefti verkozen door een comité, maar de Britten legden de verkiezingsuitslag naast zich neer en benoemden in 1921 Hajj Amin al-Husseini tot grootmoefti van Palestina, hoewel hij niet de verkozen kandidaat was. Al-Husseini speelt een belangrijke rol in de zionistische propaganda.

Na de start van de Great Revolt, en de heksenjacht van de Britten op iedereen die de opstand steunde, vluchtte Hajj Amin al-Husseini naar Nazi-Duitsland waar hij asiel verkreeg. Hajj Amin verspreidde via een radiozender pro-Duitse en anti-Britse propaganda.

Vanuit Hajj Amin’s standpunt waren het de Britten de te duchten vijand, omdat die Arabisch land bezetten, en niet de Duitsers. Bovendien speelden de Britten zelf een dubieuze rol in de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog. In 1938 sloten ze zelfs een akkoord met Nazi-Duitsland, bekend als het Verdrag van München, waarin Groot-Brittannië de annexatie (Anschluss) van Tsjechoslovakije door Nazi-Duitsland de facto erkende.

De zionistische propagandamachine overdrijft niet alleen de rol van Hajj Amin in Nazi-Duitsland, het vertrekt ook vanuit de foute vooronderstelling dat Hajj Amin in zijn hoedanigheid als grootmoefti van Palestinade legitieme vertegenwoordiger was van de Palestijnse moslims. “Als de grootmoefti nazi-sympathieën had, dan moeten de Palestijnse moslims  ook pro-nazi zijn”, luidt de zionistische redenering.

De volgende fictionele analogie kan handig zijn om de context te verduidelijken. Stel dat Libië Italië had bezet, in plaats van omgekeerd (in werkelijkheid bezette Italië Libië in 1912). Onze Libische bezetter besluit unilateraal om de paus af te zetten en hem te vervangen door iemand hun belangen beter zou verdedigen. Die nieuwe paus zou zelfs George Bush Junior kunnen zijn, aangezien hij naar het schijnt toch goddelijke ingevingen krijgt. Hoe geloofwaardig en hoe representatief zou zo’n paus zijn?

Als er iemand de leider van de Palestijnse moslims en christenen in die periode kan worden genoemd, dan is dat Izz al-Din al-Qassam. Hij vluchtte weg uit Syrië omdat hij daar deelnam aan het antikoloniale verzet tegen de Franse bezetter. Al-Qassam was een religieuze leider die verbonden was aan een soefi-broederschap. In 1921 kwam hij aan in Palestina en werkte hij vooral in de arme buurten van Haïfa en het platteland.

Naast zijn educatieve functie – hij stichtte een avondschool om het analfabetisme te bestrijden – richtte hij ook tientallen kleine clandestiene militaire cellen op. Die cellen zouden een belangrijke rol spelen in de Palestijnse revolte. In 1935 stierf al-Qassam in een vuurgevecht met de Britse politie, die hem op de hielen zat. Zijn begrafenis was de eerste grote expliciet politieke massabetoging in de geschiedenis van Palestina. Zijn dood gaf ook de directe aanleiding tot de verdere escalatie van de Great Revolt die hij had voorbereid.

Het succes van al-Qassam lag in het feit dat hij besefte dat de boerenklasse, zodra die in opstand zou komen, in een authentieke bevrijdingsbeweging de radicaalste klasse zou zijn. Hij was wars van elke inmenging van de traditionele Palestijnse elite, de Nashashibis en de Husseinis. In die zin was zijn beweging werkelijk revolutionair, omdat het zowel de maatschappijstructuur veranderde en poogde het land te bevrijden van de koloniale bezetting.

Pas na drie jaar slaagden de Britten en de zionistische milities erin het Palestijnse binnenland onder controle te brengen, door onder meer luchtaanvallen uit te voeren op rebellerende Palestijnse dorpen. Intimidatie, executie, opsluiting en ballingschap zorgde ervoor dat in 1948 de Palestijnen geen nationalistisch leiderschap meer hadden toen de zionisten de onafhankelijkheid uitriepen.

Fictie 3: Palestijnen begrijpen enkel geweld

Een derde leugen is dat de Palestijnse gemeenschap zeer gewelddadig was en enkel de taal van het geweld begreep. Zionistische historici beweren dat de moordzuchtige Palestijnen nooit geweldloze acties hebben ondernomen om hun nationale aspiraties kracht bij te zetten. Uiteraard zochten de Palestijnen, net als alle bezette volkeren, hun toevlucht tot geweld, maar zionistische historici vergeten maar al te graag dat één van de langste geweldloze acties in een koloniale context door de Palestijnen werd ondernomen. In 1935 werd er een algemene staking afgekondigd die maar liefst zes maanden duurde. Maar net als in India maakten de Britten een gewelddadig einde aan die burgerlijke ongehoorzaamheid.

Pas na de gewelddadige revolte die drie jaar duurde gaf Groot-Brittannië toe aan de Palestijnse eisen. Het waren niet de Palestijnen die enkel geweld begrepen, maar de Britten. Of zoals Frantz Fanon stelt in zijn The Wretched of the Earth“The existence of an armed struggle shows that the people are decided to trust to violent methods only. He of whom they have never stopped saying that the only language he understands is that of force, decides to give utterance by force. In fact, as always, the settler has shown him the way he should take if he is to become free. The argument the native chooses has been furnished by the settler, and by an ironic turning of the tables it is the native who now affirms that the colonialist understands nothing but force. The colonial regime owes its legitimacy to force and at no time tries to hide this aspect of things.”

Fictie 4: de Palestijnen verkochten massaal land aan de zionisten

Een vierde leugen is dat de zionistische kolonisten een groot deel van het land hadden gekocht in Palestina, nog voor Israël onafhankelijk werd. Zionistische kolonisten kochten inderdaad wat grond in historisch Palestina, maar hoeveel, en van wie?

De grootste deal die de zionisten sloten was met de feodale Libanese Sursock-familie, die tientallen vierkanten kilometers land bezat in Palestina.  Als gevolg van die koop werden de Arabische boeren die de grond bewerkten verjaagd.

Toen Israël de onafhankelijkheid uitriep in 1948 bezaten de zionisten ongeveer zes procent van het land, grond die ze op een ‘legale’ manier hadden gekocht in een tijdspanne van 70 jaar. Tegen dat tempo zouden de zionisten pas tegen het jaar 2982 heel Palestina hebben opgekocht. En hoewel de zionisten dus slechts zes procent van de totale oppervlakte van Palestina bezaten, kenden de pas opgerichte Verenigde Naties ze 55 procent van het land toe.

Fictie 5: De Arabische legers overweldigden Israël

Een vijfde leugen is de zionistische claim dat de ‘onafhankelijkheidsoorlog’ een strijd van David versus Goliath was. Volgens hun visie stonden de zionistische milities, die ook overlevenden van de Shoah in hun rangen hadden, tegenover de gezamenlijke strijdkrachten van vijf Arabische landen die een numeriek overwicht hadden en beter bewapend waren.

Die claim wordt verworpen door de Canadese historicus William Cleveland: “The legend of a defenseless, newborn Israel facing the onslaught of hordes of Arab soldiers does not correspond to reality. During the first round of fighting from May 15 to June 11, 1948, the combined Arab armies numbered around 21.500, whereas the Haganah and its affiliated units fielded a force of some 30.000… The Israelis entered the next round of combat (July 9-18) with markedly superior forces. The size of the Haganah was doubled and its firepower substantially increased.” Dat terwijl het aantal Arabische strijders doorheen de oorlog stabiel bleef.

De Arabische legers presteerden ook erg slecht omdat de meeste landen nog maar net onafhankelijk aan het worden waren. Frankrijk verliet Syrië en Libanon pas in 1946 en op de laatste dag van zijn militaire aanwezigheid bombardeerde het Franse bezettingsleger de Syrische hoofdstad Damascus met 500 doden tot gevolg, nadat het decennialang had geprobeerd elke uiting van het Syrische nationalisme de kop in te drukken. Frankrijk liet een verdeeld Syrië en Libanon achter, en amper twee jaar na onafhankelijkheid moesten ze al ten strijde trekken.

De Libanese staat was officieel in staat van oorlog met Israël, maar het Libanese leger was nooit van plan om de grens met historisch Palestina over te steken. De Syriërs stuurden slechts enkele eenheden naar historisch Palestina, maar dat was ruim onvoldoende om een serieuze bedreiging te vormen voor de zionistische milities.

Egypte was toen het belangrijkste nominaal onafhankelijke Arabische land dat een grens deelde met historisch Palestina. Die onafhankelijkheid betekende echter niet dat het land vrij was van Britse militaire aanwezigheid. De Britten bezetten nog steeds het Suez-gebied, dat van groot strategisch belang was. Ook stipuleerde een verdrag tussen Groot-Brittannië en Egypte dat de Britten het Egyptische buitenlandse beleid konden bepalen.

De Egyptische koning Farouq stuurde, tegen zijn zin, enkele duizenden soldaten naar het front. Eén van hen was Gamal Abdel Nasser, die vier jaar later een succesvolle staatsgreep zou plegen. Nasser schreef in zijn autobiografie: “The Egyptian army at the time was made up of nine battalions. Only three of these were anywhere near the frontier when the order was given to enter Palestine … There was no concentration of forces, no accumulation, no ammunition and equipment. There was no reconnaissance, no intelligence, no plans …” De zwakke prestatie van het Egyptische leger zou de belangrijkste katalysator worden voor de Vrije Officieren om koning Farouq af te zetten in 1952.

De rol van Transjordanië was bijzonder dubieus tijdens de Nakba. Hoewel het Arabische Legioen van koning Abdallah I het best getrainde en best bewapende Arabische leger was dat zich in de strijd om Palestina mengde, bleek later dat Abdallah enkel uit was op meer territorium voor het woestijnkoninkrijkje dat de Britten voor zijn familie hadden gecreëerd.

Nog voor de oorlog effectief startte, onderhandelde hij met Golda Meir over de toekomstige grenzen van Israël en Transjordanië. Van Palestina was er in de visie van Abdallah geen speur te besporen. Hij zei: “[I don't want to] resist or impede the partition of Palestine and [the] creation of a Jewish state.” De Yishuv (het Joodse deel van de bevolking van de staat Palestina vóór de stichting van de staat Israël, nvdr) had een te duchten tegenstander geneutraliseerd zonder één schot te lossen.

Dan was er nog Saoedi-Arabië. Het koninkrijk zou ook ten strijde trekken tegen Israël om bezet islamitisch land te bevrijden. Maar de Saoedi’s logen tegen hun bevolking nog voor de strijd begon. Zo beweerde de koninklijke familie dat de zionisten slechts vijf procent van Palestina wilden bezetten, aldus Ahmad Badieb, het voormalige vicehoofd van de Saoedische geheime dienst. Er is geen enkele bron die vermeldt dat Saoedi-Arabië ooit een soldaat gestuurd heeft om te vechten tegen Israël.

Fictie 6: De Palestijnen verlieten vrijwillig het land

De laatste en meest verwerpelijke verdraaiing van de feiten heeft betrekking op de Palestijnse vluchtelingen. Decennialang beweerden zionistische propagandisten dat de Palestijnen hun land uit eigen wil hadden verlaten. Ilan Pappe stelt dat: “The military campaign against the Arabs, including the ‘conquest and destruction of the rural areas’ was set forth in the Hagana’s [later IDF, het Israëlische leger] Plan Dalet. The aim of the plan was in fact the destruction of both the rural and urban areas of Palestine.

Benny Morris, de meest rechtse van alle ‘Nieuwe Historici” stelt ondubbelzinnig dat Plan Dalet:“provided  for the conquest and permanent occupation, or levelling, of Arab villages and towns.” David Ben Gurion, de leider van de zionistische beweging en de eerste premier van Israël, zei in 1938 al: “With compulsory transfer we have a vast area [for settlement] …. I support compulsory transfer. I don’t see anything immoral in it.”

Om zoveel mogelijk land te voor de Joodse minderheid veroveren, moesten er zoveel mogelijk Arabieren verjaagd worden. Om dat doel te bereiken, hanteerden de Joodse milities de volgende methodes: “… bombarding villages, setting fire to homes properties and goods, expulsion, demolition and planting mines among the rubble to prevent any of the expelled inhabitants from returning”, aldus Ilan Pappe. Daarnaast zijn er ontelbare gevallen van verkrachtingen, plunderingen en massaslachtingen. Zelfs waterbronnen werden vergiftigd.

De bekende slachting van Deyr Yassin was symptomatisch voor het verdere  verloop van de strijd. In april 1948, nog voor de Arabische legers en Israël slaags geraakten, viel een zionistische militie onder leiding van Menachem Begin het dorpje Deyr Yassin binnen.

De troepen van de latere Nobelprijswinnaar voor de Vrede slachtten een 200-tal weerloze burgers af. Deyr Yassin lag in het gebied dat de VN had aangewezen voor een toekomstige Palestijnse staat. Bovendien hadden de inwoners van Deyr Yassin een akkoord gesloten met een nabijgelegen Joodse kolonie, en er was geen sprake van wederzijdse vijandigheid. Waarom werd Deyr Yassin dan aangevallen? Het dorpje werd aangevallen, net omdat het in het toekomstige Arabische Palestina lag, net omdat het in vrede leefde met hun Joodse buren en omdat de inwoners er geen verzet pleegden.

De terroristische methodes die Menachim Begin hanteerde, was volledig in de geest van Plan Dalet. De Palestijnen moesten beseffen dat ze nergens veilig waren en dat vluchten hun enige kans op overleving bood. Na Deyr Yassin volgden er vele soortgelijke terroristische slachtingen; Saliha, Lydda, Safsaf, Hule, Jish, Eilaboun, Majd al-Kurum, etc. Die slachtingen misten hun doel niet, en ongeveer 800.000 Palestijnen vluchtten weg uit hun dorpen en steden, om nooit meer terug te keren.

Vele zionisten beweren nog steeds dat de Palestijnen vrijwillig hun dorpen en steden verlieten, en dat ze daartoe aangemoedigd werden door de naburige Arabische landen. Via radio-uitzendingen zouden de Arabische buurlanden de Palestijnen hebben aangemoedigd om tijdelijk veiligere oorden te gaan opzoeken.

Deze claim wordt door alle Nieuwe Historici verworpen. Benny Morris beweert zelfs het tegendeel: “… Arab radio stations and leaders (Radio Ramallah, Radio Damascus, King Abdullah, and Arab Liberation Army chief Fawzi al Qawuqji) all issued calls, in repeated broadcasts, to the Palestinians to stay put, or, if already in exile, to return to their homes.”

Ondanks de overvloed aan bewijs dat de zionisten bewust de Palestijnen hebben verdreven blijven sommigen nog steeds vasthouden aan een mythologische versie van de ontstaansgeschiedenis van Israël. Ben Gurion, die in 1938 gezegd had “I am for compulsory transfer; I do not see anything immoral in it”, zou een man van zijn woord blijken.

De Algemene Vergadering van de Verenigde Naties keurde in december 1948 Resolutie 194 goed, die stelde dat alle Palestijnse vluchtelingen het recht hadden om terug te keren naar hun dorpen en steden: ”Resolves that the refugees wishing to return to their homes and live at peace with their neighbours should be permitted to do so at the earliest practicable date, and that compensation should be paid for the property of those choosing not to return and for loss of or damage to property which, under principles of international law or in equity, should be made good by the Governments or authorities responsible.”

64 jaar en drie generaties later blijft Israël zich nog steeds gedragen als een paria in de internationale gemeenschap. Hoe lang kan Israël nog claimen dat het de enige democratie is in de regio, terwijl het alle VN-resoluties naast zich neerlegt?

Wanneer zal het stilzwijgen van Europa stoppen? En van Amerika? En wat nog belangrijker is: hoe zullen de regimes van de post-Arabische Lente omgaan met een apartheidsstaat in hun midden?

George Orwell stelde: “In een tijd van universeel bedrog is het vertellen van de waarheid een revolutionaire daad”.  Wat Israël betreft, is dat niet langer nodig. Het masker is allang gevallen.

(www.dewereldmorgen.be / 16.05.2012)

Is Allah boven?

Vraag:
Sommige mensen zeggen dat Allah Zich boven de hemel bevindt. Weer anderen beweren dat Hij geen plek kent. Wat is de correcte uitspraak hierover?
Antwoord:
Alle lof zij Allah en vrede en zegeningen zij met Zijn Profeet, diens familie en metgezellen.
Zowel de Koran, de Soennah, de consensus, als het verstand en het aangeboren gemoed van de mens duiden allemaal op de juiste opvatting van al-cOeloew (de Verhevenheid) van Allah met Zijn Dhaat (Wezen). Dit is dan ook de overtuiging van Ahl us-Soennah wal-Djamaacah. Het is niet zo dat Allah geen plek kent of zich ‘overal zou bevinden’.
Er zijn verschillende bewijzen uit de Koran voor de Verhevenheid van Allah. Zo wordt er in de Koran gesproken over al-Fawqiyyah (het boven zijn), het neerdalen van zaken en het opstijgen naar Hem.
De bewijzen voor de Verhevenheid van Allah zijn de volgende Woorden van Allah (interpretatie van de betekenis):
“En Hij is de Verhevene, de Almachtige.”
(Soerat al-Baqarah: 255)
En (interpretatie van de betekenis):
“Prijs de Naam van jouw Heer, de Hoogste.”
(Soerat al-Aclaa: 1)
Wat betreft al-Fawqiyyah (het boven zijn), is het bewijs hiervoor is (interpretatie van de betekenis):
“En hij is de Meest Machtige boven zijn dienaren.”
(Soerat al-Ancaam: 18)
En (interpretatie van de betekenis):
“Zij vrezen hun Heer boven hen en zij doen wat Hij beveelt.”
(Soerat an-Nahl: 50)
Wat betreft het neerdalen vanaf Hem is het bewijs (interpretatie van de betekenis):
“Hij regelt het bestuur vanuit de hemel naar de aarde.”
(Soerat as-Sadjdah: 5)
En (interpretatie van de betekenis):
“Zeker, Wij zijn het Die de vermaning (de Koran) hebben neergezonden.”
(Soerat al-Hidjr: 9)
Betreffende het opstijgen van zaken naar Hem, zegt Allah (interpretatie van de betekenis):
“Tot Hem stijgt het goede woord op.”
(Soerat Faatir: 10)
En (interpretatie van de betekenis):
(Waarvandaan) de Engelen en de geest (Djibriel) tot Hem opstijgen.”
(Soerat al-Macaaridj: 4)
Ook de volgende Woorden van Allah duiden erop dat Hij Zich boven de hemel bevindt (interpretatie van de betekenis):
“Voelen jullie je er veilig voor dat Hij die boven de hemel is…”
(Soerat al-Moelk: 16)
Ook in de Soennah van de Profeet (vrede zij met hem) zijn er veel bewijzen te vinden. Zo is het overgeleverd dat hij (vrede zij met hem) tijdens de Soedjoed (prosternatie) gewoon was te zeggen:“Verheven is mijn Heer, de Hoogste.” Tevens heeft hij (vrede zij met hem) gezegd: “Allah bevindt Zich boven de Troon.”
Ook is het overgeleverd dat de Profeet (vrede zij met hem) op de dag van de afscheidsbedevaart de mensen toesprak met de woorden: “O mensen, heb ik mijn Boodschap aan jullie overgedragen?”en herhaalde dit tot driemaal toe. Vervolgens zei hij (vrede zij met hem): “O Allah, wees getuige” en wees met zijn vinger richting de hemel. Daarnaast staat in tientallen overleveringen vermeld dat de Profeet (vrede zij met hem) zijn handen ophief naar de hemel. Dit is het bewijs voor al-cOeloew van Allah.
Tevens staat vermeld in een correcte overlevering dat de Profeet (vrede zij met hem) een slavin vroeg:“Waar is Allah?”, waarop zij antwoordde “Boven de hemel.” Vervolgens vroeg hij (vrede zij met hem): “Wie ben ik?”, waarna zij antwoordde: “De Boodschapper van Allah.” Hierop beviel de Profeet (vrede zij met hem) om haar te bevrijden, zeggende: “Bevrijdt haar, want zij is een gelovige.”
Deze slavin, die bijna geen kennis bezat – zoals dat meestal het geval is bij slavinnen – wist dat Allah Zich boven de hemel bevindt. Dit terwijl vele dwalenden vandaag de dag ontkennen dat Allah Zich boven de hemel bevindt. Zij beweren dat Hij Zich niet boven of beneden, noch links of rechts bevindt, maar dat Hij Zich overal bevindt.
Daarnaast is er consensus onder de vrome voorgangers dat Allah Zich met zijn Dhaat boven de hemel bevindt. Dit is overgeleverd door Imam ad-Dhahabi in zijn boek al-cOeloew lil-cAliyy il-Ghaffaar.
Voor wat betreft het verstand. Ieder weldenkend persoon onderkent dat al-cOeloew een vervolmaakte Eigenschap is. Wanneer het een vervolmaakte Eigenschap betreft, dan dient deze toegeschreven te worden aan Allah, omdat elke vervolmaakte Eigenschap aan Allah behoort.
Wat betreft het gemoed. Bij iedereen is de overtuiging aangeboren dat Allah Zich boven de hemel bevindt. Als iemand getroffen wordt door iets wat hij niet kan tegenhouden en hij richt zich vervolgens tot Allah, dan wendt zijn hart zich automatisch tot de hemel. Het frappante is dat zelfs degenen die al-cOeloew van Allah ontkennen zich – ten tijde van een smeekbede – met opgeheven handen richten tot de hemel.
Zelfs toen Fircawn, de vijand van Allah, met Moesa wilde redetwisten over zijn Heer, zei hij tegen Haamaan (interpretatie van de betekenis):
“O Haaman, maak voor mij een hoog paleis, hopelijk bereik ik de poorten. De poorten van de hemel, zodat ik de god van Moesa kan zien.”
(Soerat Ghaafir: 36)
In werkelijkheid was Fircawn op de hoogte van het Bestaan van Allah, de Verhevene, zoals Allah zegt (interpretatie van de betekenis):
“En zij ontkenden het, hoewel zij zelf ervan overtuigd waren, uit onrechtvaardigheid en hoogmoed.”
(Soerat an-Naml:14)
Dit zijn enkele bewijzen uit de Koran, Soennah, consensus, het verstand en het aangeboren gemoed welke bevestigen dat Allah Zich boven de hemel bevindt. En zelfs de ongelovigen erkennen dit.
Wij vragen Allah om leiding te schenken naar de waarheid.
 
Sheich Mohammed Saalih al-Munaddjid
(www.al-yaqeen.com / 16.05.2012)

Belangrijke denktank waarschuwt Israel en VS voor aanval op Iran.

Plaatje bij Belangrijke denktank waarschuwt Israel en VS voor aanval op Iran.
RAND Corporation schaart zich naast Mossad chef Meir Dagan en voormalig Shin Bet hoofd Yuval Diskin, oneens met Netanyahu en Barak’s dreigende houding tegenover Iran.

The RAND Corporation, een denktank die het Pentagon adviseert, waarschuwde dinsdag voor een Israëlische of Amerikaanse aanval op Iran’s nucleaire faciliteiten, en adviseerde de Obama regering om “voorzichtig de interne discussie in Israël te beïnvloeden over het gebruik van militair geweld”.

(www.nujij.nl / 16.05.2012)

Islam Does Democracy, but What About Liberty?

For years, foreign policy discussions have focused on whether Islam is compatible with democracy, but this question is becoming passe. In Tunisia and Egypt, Islamists who were long seen as opponents of the democratic system are now joyfully participating in it.

For those concerned about extremism in the Middle East, this is good news, as the exclusion of Islamists by secular tyrants first bred extremism. Islamists will become more moderate when they are not oppressed and more pragmatic with the responsibility of governing.

But there is another reason for concern: What if elected Islamist parties impose laws that curb individual freedoms, like banning alcohol or executing converts, all with popular support? What if democracy does not serve liberty?

This question is seldom asked in the West, where democracy is often seen as synonymous with liberalism. However, as Fareed Zakaria warned in his 2003 book, “The Future of Freedom,” there are illiberal democracies, too, where the majority’s power isn’t checked by constitutional liberalism and the rights and freedoms of all citizens are not secured. The real debate, therefore, is whether Islam is compatible with liberalism.

The main bone of contention is whether Islamic injunctions are legal categories. When Muslims say Islam bans alcohol, are they talking about public obligations that will be enforced by the state, or personal ones that will be judged by God? For those who believe the former, Saudi Arabia may seem ideal. Yet members of the Saudi elite are also famous for traveling abroad to hit up wild nightclubs and commit the sins they can’t at home, raising the question of whether Saudi Arabia’s intense piety is hypocritical.

By contrast, the ultra-secular Turkish Republic has for decades aggressively discouraged Islamic practices, going so far as to ban head scarves. And Turkish society has remained resolutely religious.

Still, even in Turkey, there are reasons to worry that illiberal democracy could emerge. Turkey still suffers from a paranoid nationalism that abhors minority rights, a judiciary designed to protect the state rather than its citizens and a political culture that regards criticism as an attack and provocative ideas as criminal.

As Turkey’s religiously conservative majority gains power, it is imperative that the new elite liberalize the political system. If Turkey succeeds in that liberal experiment, it can set an example for Islamist-led governments in Tunisia, Egypt and elsewhere. These countries need not only procedural democracy, but also liberalism. And there is an Islamic rationale: Imposed religiosity leads to hypocrisy. Those who hope for genuine religiosity should first establish liberty.

The New York Times

Mustafa Akyol, a Turkish journalist, is the author of “Islam Without Extremes: A Muslim Case for Liberty.”

(www.thejakartaglobe.com / 16.05.2012)

India turns down Barak request to make official visit

Defense Minister Ehud Barak sought to visit military expo in New Delhi to symbolize close Israel-India ties; request denied by Indian Defense Ministry due to domestic political sensitivities.
Ehud Barak in India 2006 (AP)

Ehud Barak during a 2006 visit to India.
The government of India recently turned down a request by Defense Minister Ehud Barak to make an official work visit to that country. A senior Israeli official said that the Indians cited domestic political sensitivities and were not interested in high-profile visits by Israeli officials at this time.

The spokesperson for the Israeli Embassy in New Delhi, David Goldfarb, would not comment on the matter and referred inquiries to Barak’s office. Barak’s office also declined to comment.

The India Express newspaper reported on the matter for the first time on Wednesday morning. According to the report, Barak wanted to visit the Defexpo exhibition which opened in New Delhi on March 29 and was organized by the Indian Defense Ministry.

The Israeli pavilion was the largest at the exhibition and included close to 20 Israeli defense companies. Many representatives from Israel’s Defense Ministry and security industry attended the exhibition and displayed their products. Israel wanted Barak to visit the exhibition in order to symbolize the close cooperation between Israel and India.

India’s Defense Ministry was concerned by Israel’s request and turned it down because it felt that visits to India by senior Israeli officials like Barak could produce tensions within the country and spark criticism from India’s large Muslim community.

After an examination of Barak’s visit request, it was Indian Defense Minister A K Antony who made the decision to keep security ties with Israel low-profile and deny the request. The India Express reported that the denial of the request by Antony was done without consultation with the Indian Foreign Ministry, which in the past year has been trying to enhance India’s relationship with Israel and make that relationship more visible and public.

Indian Foreign Minister S M Krishna visited Israel in January, the first by an Indian foreign minister in 11 years. During two decades of relations between the countries, visits by Indian officials have not been common. An Indian prime minister has never visited Israel. The current Indian defense minister has also never visited Israel, despite the dramatic growth of military ties between the two countries.

Israel and India maintain tight security and intelligence ties. India purchases from Israel a wide array of advanced military technologies. In fact, in recent years Israel has surpassed Russia as India’s second largest weapons supplier. Israel sells to India aerial defense systems, missiles, and spy planes, and upgrades old Russian tanks and planes used by the Indian military.

(www.haaretz.com / 16.05.2012)

VN-organisatie “ontzet” door Israëls rassenscheidingsbeleid

Israël wordt bekritiseerd voor het schenden van het recht op gelijkheid in een nieuw rapport van het Comité tegen Rassendiscriminatie van de Verenigde Naties (Committee on the elimination of racial discrimination – CERD).

Een voorkopie van het CERD-verslag geeft aan dat ongelijke behandeling op grond van ras kan worden gevonden in bijna elk facet van het Israëlische leven (“Concluderende opmerkingen van het Comité voor de eliminatie van rassendiscriminatie,” 9 maart 2012 - http://www2.ohchr.org/english/bodies/cerd/docs/CERD.C.ISR.CO.14-16.pdf).

Het CERD is een comité van juridische specialisten die toezien op de tenuitvoerlegging van het Internationale Verdrag inzake de eliminatie van alle vormen van rassendiscriminatie, waarin staat dat elke doctrine van superioriteit op basis van raciale differentiatie wetenschappelijk onjuist is, moreel laakbaar, sociaal onrechtvaardig en gevaarlijk.

Basiswet gebrekkig

Volgens het rapport staat belangrijke wetgeving in Israël haaks op dat Verdrag. Israëls Basiswet (n.v.d.r. de wet die fungeert als grondwet) bevat geen verbintenis tot gelijkheid of tot verbieden van rassendiscriminatie. Ook bevat de Israëlische wet geen behoorlijke definitie van “rassendiscriminatie”.

Het CERD-verslag is een reactie op een document van 183-pagina’s dat Israël eerder dit jaar aan het Comité voorgelegd heeft. Terwijl Israël verplicht is, om de twee jaar een formele update te verstrekken over zijn vooruitgang in het elimineren van rassendiscriminatie, heeft het de neiging om de deadline te missen. De laatste bijwerking was een poging om drie aparte verslagen samen te brengen die hadden moeten verzonden worden naar het Comité in respectievelijk 2006, 2008 en 2010.

Israëls verslag was beperkt tot kwesties binnen zijn internationaal erkende grenzen. Er wordt met geen woord gerept over de behandeling van de Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook. Maar het CERD rapport pakt Israël aan voor raciale discriminatie, zowel binnen de staat als in de gebieden die het bezet, met inbegrip van de Syrische Golan-hoogvlakte.

Naast de litanie van klachten slaagde het CERD erin, om vier kleine positieve opmerkingen te formuleren over Israëls prestatie tussen 2004 en 2010. Bij voorbeeld verwelkomt het Comité een wet die geweld verbiedt in de sport.

Segregatie

Het CERD heeft zijn bijzondere bezorgdheid geuit over de segregatie tussen Joodse en niet-Joodse gemeenschappen in Israël. Zo zijn er bij voorbeeld twee afzonderlijke systemen van onderwijs — één in het Hebreeuws en één in het Arabisch — en twee afzonderlijke systemen van lokale regering — voor Joodse gemeenten en “gemeenten van de minderheden.”
Het comité onderstreept zijn onbehagen over aantijgingen van aanhoudende discriminatie van Ethiopische Joden (ook bekend als “Falashas”) in Israël. Meer dan 50 procent van de Ethiopische Joodse families in Israël leeft onder de armoedegrens, terwijl het overeenkomstige cijfer voor blanke Joodse Israëlische gezinnen 16 procent is. Ethiopische Joden worden in Israël geconfronteerd met een scala van problemen, zoals frequent verbaal geweld van racistische aard en beperkt worden tot laagbetaalde banen (“De beproevingen van een Ethiopische Jood,” IRIN, 9 februari 2012).

Overwegende dat Israël Palestijnen (onder wie Bedoeïenen) gelijke toegang tot land en onroerend goed ontzegt via een aantal discriminerende wetten over landkwesties, “beveelt” het CERD “sterk aan”, dat Israël elke wetgeving herroept die niet aan het beginsel van non-discriminatie voldoet. Hetzelfde geldt voor wetten en besluiten die sociale en economische voordelen afhankelijk zouden maken van de voltooiing van de militaire dienst.

Het Comité heeft het expliciet over de situatie van kwetsbare inheemse Bedoeïenengemeenschappen in Israël. Het roept Israël op, haar lopende beleid van huizensloop en gedwongen verplaatsingen een halt toe te roepen.

Uiteenrukken van gezinnen

Bovendien moet Israël de wetgeving intrekken waardoor gezinshereniging voorkomen wordt tussen Palestijnen die het Israëlische staatburgerschap bezitten en bewoners van de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook en die het recht op huwelijk en partnerkeuze ernstig belemmert. Het fundamentele recht op een gezinsleven is vastgelegd in de Universele verklaring van de rechten van de mens van 1948 en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten.

Israël moet volgens het CERD optreden tegen de stroom van racisme en vreemdelingenhaat in het publieke discours. Alle racistische en xenofobe verklaringen van openbare ambtenaren en religieuze leiders, gericht tegen Palestijnen en tegen asielzoekers van Afrikaanse oorsprong, moeten daarom sterk worden veroordeeld.

Systematische discriminatie

Het CERD weerlegt Israëls bewering dat het Verdrag tegen rassendiscriminatie niet geldt voor zijn gedrag in de Westelijke Jordaanoever, de Gazastrook en de Golanhoogvlakte. Het Comité verwijst naar de de facto segregatie in de Westelijke Jordaanoever, met twee volledig gescheiden juridische systemen en sets van instellingen voor de Israëlische kolonisten en de Palestijnen. Het Comité is “ontzet over het hermetische karakter van deze segregatie.”

Terwijl het Israëlische nederzettingen blijft uitbreiden, ontzegt Israël systematisch bouwvergunningen aan Palestijnse en Bedoeïenengemeenschappen in de Westelijke Jordaanoever. Israël moet de rechten garanderen van Palestijnen en Bedoeïenen op eigendom en toegang tot land, huisvesting en natuurlijke hulpbronnen — vooral water — en elk beleid van “demografische evenwicht” elimineren, stelt het CERD.

Bovendien moet Israël de blokkade van de Gazastrook stoppen en er dringend alle bouwmaterialen toelaten, nodig voor de wederopbouw van huizen en civiele infrastructuur.

Ook hekelt het Comité Israël voor de toename van de arrestaties en gevangenneming van kinderen en hun proces door militaire rechtbanken, en de politiek van administratieve inhechtenisneming, waarbij gevangenen zonder aanklacht of proces worden vastgehouden. En het vestigt de aandacht op de monetaire en fysieke obstakels waarmee Palestijnen in de Gazastrook worden geconfronteerd wanneer ze bij Israëlische rechtbanken op zoek gaan naar compensatie voor hun geleden verlies, in het bijzonder tijdens de operatie Gegoten Lood, Israëls drie weken durende bombardementenoffensief eind 2008 en begin 2009.

Het CERD geeft ook uiting aan zijn bezorgdheid over de straffeloosheid waarvan kolonisten genieten voor racistisch geweld en vandalisme. Negentig procent van de politieonderzoeken naar kolonisten-gerelateerd geweld in de periode 2005-2010 werden gesloten zonder vervolging.

Volgens het CERD wordt in de Golan-hoogvlakte de inheemse bewoners gelijke toegang tot land, huisvesting en basisvoorzieningen ontzegd. Familiebanden zijn er verbroken sinds de onwettige annexatie van het grondgebied door Israël in 1981.

De straffeloosheid beëindigen

De timing van het CERD-verslag valt samen met een nieuwe Israëlische aanval op de Gazastrook, waarbij ten minste 26 Palestijnen, onder wie vijf burgers, omgekomen zijn en nog eens 80 personen werden gewond, de meesten van hen burgers. Israël heeft — nogmaals —zijn totale minachting voor het internationaal recht laten blijken.

Israëls straffeloosheid moet worden beëindigd door de staat ter verantwoording te roepen voor de schendingen van het internationaal recht met inbegrip van het onvervreemdbare recht van het Palestijnse volk op zelfbeschikking. Die wetten zijn er om te garanderen dat alle mensen in internationale vrede en veiligheid kunnen leven. Op dit ogenblik beschouwt de staat Israël zichzelf als boven het internationaal recht verheven.

Met ‘s werelds machtigste regeringen die weigeren om Israël ter verantwoording te roepen, is het essentieel dat mensen met een geweten hun betrokkenheid bij de campagne voor de boycot, desinvestering en sancties tegen Israël intensiveren. Uit het CERD-verslag blijkt, waarom met Palestina solidaire activisten, sociale bewegingen, kerken, vakbonden en andere bewogen burgers alle reden hebben om door te zetten en hun werk te intensiveren.

Adri Nieuwhof is een consultant en mensenrechtenadvocaat, gevestigd in Zwitserland. Mireille Fanon Mendès-France is lid van de VN-werkgroep betreffende mensen van Afrikaanse afkomst.

Overgenomen uit The Electronic Intifada van 16 Maart 2012

(www.palestinasolidariteit.be / 16.05.2012)

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 622 other followers